OOIT GENOEG


Soms

-gelukkig ondertussen 
iets minder vaak maar toch -
Soms is er iets dat aan me vreet  
Zo’n harig ding van nooit genoeg
Een klein en slurfig lijfje
Smakt door mijn weke delen heen,
(Daar heb ik er best veel van 
Ze smaken blijkbaar goed)
Het smult zich voort en likt en proeft 
Mijn limbische systeem 
Mijn dunner wordend zitvlees, mijn ingekorte lontjes
De beurse stukken borstgebied, de harde partjes buik
Met slokjes traan en zweet erbij en hapjes dopamine 
Overal waar leven zit 
Is het blijkbaar snacken
Voor dit ding ik noem het rups
Het knaagt iets weg het holt iets uit
Waardoor ik soms 
- intussen
iets minder vaak maar toch -
Waardoor ik soms ineens niet meer 
Goed op de grond kan staan
 
Toch is het ooit genoeg
Dat weet ik want een rups
Is eigenlijk een vlinder 
Voordat hij vlinder is
Een opmaat een belofte, een aanloop een proloog 
Je zou dus kunnen stellen
Dat alles er al is (of moet ik zeggen ‘nog’)
En dat het slechts een kwestie is 
Van hup met die cocon
Ooit ga ik weer ontpoppen 
Ik moedig mij soms aan 
Kom maar pop, kop op pop-pop!
En dan zijn er weer dagen
Waarop ik niet geloof
In iets metamorfosisch: 
Te ver te groot te veel te veel. 
 
Maar toch en ondertussen 
Voel ik het weleens wél
Die vlinderheid, een zweempje
Als iemand zegt wat ben je lief en zullen we gaan eten
Of als ik ren of als ik zing
Of als de oleander bloeit en als jij ergens in me gloeit
En als het dan weer rijmt, 
Dan voel ik het, die vlinderheid
Dan voel ik het 
Bijvoorbeeld.

Reacties

Een reactie posten

Populaire posts van deze blog