Posts

Afbeelding
KOSMISCH KIERTJE   Als ie het toch ineens weer gaat doen, die oleander die het na de afgelopen winter opgegeven leek te hebben en er sprieterig en slapjes bij stond, maar ja, ik deed ‘m niet weg want het was jouw oleander maar nu doet ie het dus weer, er is een bloempje en er staan knopjes op knappen.  Als ik in een oud boek dat ik altijd nog uit moest lezen een briefje vind van jou, waar iets op staat dat helemaal voor mij is en me de glunders geeft. Als het toch lukt om dat probleem op te lossen terwijl ik dacht dat het niet zou lukken en ik vroeg je nog stilletjes in mijn hoofd of je de boel misschien een zetje in de goede richting wou geven, maar ik had er eigenlijk geen fiducie meer in en toen lukte het dus toch wel.  Als ik tijdens een hardloopwedstrijd ergens over de helft een dip heb, met zware benen en alles, en als ik dan toch mijn tweede adem vind. Als ik over de finish ren bij die hardloopwedstrijd en als daar dan door de boxen dat ene nummer van The Four Seas...
Afbeelding
A (u) .I.     Even een stukje over A.I. Gewoon zelf geschreven, met mijn eigen brein en mijn eigen vingers. Ik ben er al een poos mee bezig. Met A.I. Dat is best moeilijk. Alleen al die eerste letter: de A. Van ‘AU’. Staat voor: pijn. Op zich al een hele kluif, maar ik vind het vooral lastig als die pijn zich manifesteert in een gefrustreerde, geprikkelde, stekelige vorm. Zoiets als dit:    Iemand: ‘Maar heeft het dan een plekje inmiddels? (Toon: voorzichtig optimistisch) Ik: ‘Nee, natuurlijk niet’. (Toon: geïrriteerd).  Of deze (als reactie op mijn vraag wie er mee gaat eten): Iemand 1: ‘Sorry, ik kan niet’.  Iemand 2: ‘Ik ook niet’ Iemand 3: ‘Mij lukt het ook niet’. Ik: ‘Jammer’. (Ik bedoel eigenlijk: kut. En dat hoor je aan de toon).   Ik snap zelf ook niet waarom het er soms zo uitkomt. Vaak was ik een moment daarvóór nog best oké. En dan toch ineens die narrigheid. Ik schaam me er achteraf vaak voor, en ik zie mensen soms ook een beetje schrikken....
Afbeelding
LEK OF LEEG   ‘Is ie lek of is ie leeg?’ De vraag wordt me gesteld door een wat oudere meneer die me tegemoet komt lopen, een boodschappentas in de hand. Ik loop met mijn fiets door de buurt, ik ben onderweg naar de fietsenmaker. Er zit een stevige slag in het voorwiel en de band is slap. Het resultaat van een harde botsing met een E-bike, al een poosje geleden.  Ik antwoord dat ik denk dat ie echt lek is, en dat ik sowieso dat wiel moet laten fixen.  ‘Ik wil wel even kijken hoor’, zegt de meneer. Hij wijst naar een voordeur vlakbij.  ‘Ik heb de fietspomp in de gang staan’. Zijn ogen staan vriendelijk, ik zie sporen van een kam in zijn dunne haar, het kraagje van zijn poloshirt zit niet helemaal goed.  ‘Wat aardig’, hoor ik mezelf zeggen. Ik geef hem een hand en stel mezelf voor. ‘Ed’, zegt hij.  Hij doet de voordeur open en loopt naar binnen. Er staat een ingeklapte rolstoel in de gang, er is een traplift.  ‘Mijn vrouw is pas overleden’, zegt Ed, terw...
UITGEZ(W)AAID   Ik loop met een vriendin door de centrale hal van het ziekenhuis naar de uitgang. Binnenkort moet ik een oogoperatie, ter voorbereiding zijn zojuist mijn ogen gescand. Ik vind dit soort dingen kei eng, vandaar dat ze mee was, die lieve vriendin. We zijn al bijna buiten als mijn blik er onwillekeurig naar toe wordt getrokken: naar dat ene raam, pal boven het restaurant. Erachter bevindt zich een kamer waarin jij ooit verbleef. Je was plotseling opgenomen, er was iets met je longen, er klonk een alarmbel, duidde dit op meer uitzaaiingen? Alleen in deze kamer was er nog een bed. Ik weet nog dat we het grappig vonden, zo’n raam dat uitkeek op al die bedrijvigheid beneden. Maar die avond liep ik na het bezoekuur door een donkere, lege hal en stond jij in je eentje achter het raam naar mij te zwaaien. De lichtgrijze lamellen had je opzijgeschoven en je probeerde te lachen. Ik probeerde hetzelfde en ik wuifde alsmaar terug, totdat we elkaar niet meer zagen.   ...
Afbeelding
LONELY PLANET   Ons huis ligt aan een smalle vaart, in het verlengde van de gracht die zo fraai door ons stadsie slingert.  Aan de ene kant van het water, voor ons gebouw, staan grote statige platanen die zorgen voor verkoeling, fijn nu het steeds vaker snikheet is. Aan de andere kant zijn er terrassen. Ze zitten vol, er klinkt geroezemoes, regelmatig schalt er gelach bovenuit. Het water zelf wordt druk bevolkt door kano’s, sloepjes, plezierboten en robuuste schuiten van de gemeente, met grote grijpers voor het schroot uit de gracht, en stoere schippers aan het roer, de basten bloot onder hun oranje hesjes.    Ik zit aan mijn bureau met uitzicht op dit alles. Het is het eind van de middag, ik ben bezig met de laatste actiepuntjes voor de zomerstop. Ik struin door mijn mailbox, ik ruim zoveel mogelijk op. Ah kijk, daar is ie, de bevestiging van mijn vakantie. Wandelen in de bergen, met lieve vrienden, zelfgekozen familie,  en ook met mezelf. Het wordt vast l...
Afbeelding
OOIT GENOEG Soms -gelukkig ondertussen  iets minder vaak maar toch - Soms is er iets dat aan me vreet   Zo’n harig ding van nooit genoeg Een klein en slurfig lijfje Smakt door mijn weke delen heen, (Daar heb ik er best veel van  Ze smaken blijkbaar goed) Het smult zich voort het likt en proeft  Mijn limbische systeem  Mijn dunner wordend zitvlees, mijn ingekorte lontjes De beurse stukken borstgebied, de harde partjes buik Met slokjes traan en zweet erbij en hapjes dopamine  Overal waar leven zit  Is het blijkbaar snacken Voor dit ding ik noem het rups Het knaagt iets weg het holt iets uit Waardoor ik soms  - intussen iets minder vaak maar toch - Waardoor ik soms ineens niet meer  Goed op de grond kan staan   Toch is het ooit genoeg Dat weet ik want een rups Is eigenlijk een vlinder  Voordat hij vlinder is Een opmaat een belofte, een aanloop een proloog  Je zou dus kunnen stellen Dat alles er al is (of moet ik zeggen ‘...
Afbeelding
T ICKET TO (P)RIDE Het is feest in mijn stadsie. Pride op z’n Utrechts: vriendelijk, vrolijk, lang leve alle variaties van de liefde en van iedereen en alles. Ik ben voor, ik wil erheen. Ik trek een roze shirt aan en speld een regenboogkleurige Dom op mijn spijkerjack. We lopen langs een gracht vol queer plezier, we zwaaien naar boten vol jolijt en pret, we begeven ons in het feestgedruis langs de werf. Overal is lol, blijheid, muziek, er wordt geproost en gevierd, happy Pride! Het miezert, ik ben mijn paraplu vergeten. Volgens Buienradar klaart het zo wel weer op, zegt een van mijn lieve vriendinnen. Maar dat gebeurt niet. Althans, niet bij mij. Plotseling valt er iets over mee heen. Ik kan het ineens niet, zo zonder jou, juist hier, juist nu. Ik blijf nog even staan, maar het lukt niet meer. Mijn feestbui, hij is zomaar foetsie. Als ik veel eerder dan gepland weer naar huis loop regent het over mijn wangen. Zo gaat het soms: denk je dat je al een heel eind op weg bent, doe je steeds ...